zorgzoeker.be home
  • Welkom
  • Zoek meer
  • Thema's
  • Nieuws & jobs
  • Contact
  • Mijn zorgzoeker
  • Organisatie
  • Zorgverlener
  • Zoekterm
  • Thema's

Nieuws & jobs

Nieuwsbrieven
Nieuwsberichten
Activiteiten
Jobs
Gezondheidsmeeting '12
Gezondheidsmeeting '11
1700.be

Ik zoek...

  • Algemeen welzijn
  • Dringende Hulp
  • Gezondheidsthema's
  • Immigratie en inburgering
  • Ouderen
  • Palliatieve zorg
  • Personen met een handicap
  • Preventieve zorg
  • Psychische problemen en verslaving
  • Thuiszorg
  • Wonen
  • Ziekenhuizen
  • Zorgverleners
  • Zwangerschap en geboorte
U bevindt zich hier: .. > Nieuws & jobs > Gezondheidsdebat 2009 > Verslag Debat

Verslag Gezondheidsdebat 27 mei 2009

Een debat voor en door zorgverleners

Er werd de laatste jaren al wat verwezenlijkt op vlak van gezondheidszorg in Brussel. Dat vertelde collegelid Brigitte Grouwels ons in haar verwelkoming op het tweede Gezondheidsdebat in Brussel.

Reeds bij aanvang van haar mandaat maakte collegelid Grouwels in haar beleidsbrief duidelijk dat er werk moest gemaakt worden van de toegankelijkheid in de gezondheidszorg en de welzijnszorg. Dit werd de voorbije jaren gerealiseerd door de opstart van het virtuele Vlaamse ziekenhuis Zorgnet, door de opstart van Zorgzoeker.be die de Brusselaars wegwijs maakt in het Nederlandskundige gezondheidszorgaanbod, door de oprichting van de eerste Nederlandskundige huisartsenwachtpost in Brussel en door het project ‘Rijdende wacht’ waardoor de Nederlandskundige Brusselse huisartsen op een vlottere en veiligere manier hun wachtdienst kunnen doen.
Collegelid Grouwels deed onlangs met Pro Medicis Brussel nog een Ronde van Vlaanderen, langsheen de Vlaamse universiteiten, om stagiairs aan te trekken voor de Brusselse gezondheidszorg.
Initiatieven die nog zouden moeten verwezenlijkt worden zijn volgens collegelid Grouwels een Brusselpremie voor gezondheidswerkers, analoog met de premie die personeelsleden in het onderwijs krijgen en een aparte kijk op de Brusselse huisartsen omdat er te weinig Nederlandskundige huisartsen in Brussel aan het werk zijn.
Collegelid Grouwels neemt niet deel aan het debat, maar denkt mee na over de hoofdstedelijke gezondheidszorg.

De inhoud van het debat werd bepaald door de zorgverleners zelf, vertelt huisarts en gezondheidscoördinator dr. Caroline Verlinde. Het is een debat voor en door Brusselse zorgverleners om knelpunten op korte termijn aan te pakken. Voor dit debat werden alle Vlaamse verkiesbare partijen in Brussel aangeschreven. Volgende politici gingen op deze uitnodiging in:
- Bruno De Lille van GROEN!
- Louis Ide van N-VA
- Steven Vanackere van CD&V
- Elke Roux van SP.A
- Jean-Luc Van Raes van Open VLD
- Piet Deslé van Lijst De Decker (LDD)
- Greet Van Linter van Vlaams Belang (VB)

Vier stellingen, voorgesteld door mensen uit het werkveld, gaven het debat richting.

Brussel als aantrekkelijk werkplek voor zorgverleners

De eerste stelling, “de Vlaamse zorg moet in Brussel meer bekend en aantrekkelijk gemaakt worden”, werd opgesplitst in een eerste deel waarin de Vlaamse zorg in Brussel voor de zorgverlener aantrekkelijker moet gemaakt worden door een betaalbare en kwalitatieve werkplek te voorzien en door meer geïntegreerd werken. Deze stelling werd voorgesteld door dr Milan Roex, voorzitter van de Brusselse Huisartsenkring.
Het voorstel is om Brussel aantrekkelijker te maken als werkplek voor artsen en andere gezondheidsactoren. De Vlaamse overheid zou hierin kunnen stimuleren door een goede locatie en infrastructuur te voorzien waarin verschillende gezondheidsberoepen samen zorg kunnen verstrekken. Op die manier worden zorgverleners beter ondersteund en kan dit ook een aanzet zijn tot geïntegreerd werken.
Dit moet de zichtbaarheid van het Vlaamse aanbod verhogen en beter bekend maken. Interdisciplinaire samenwerking, medisch-niet-medisch, lokaal verankerd, is dus de boodschap, in functie van herkenbaarheid en bereikbaarheid maar ook in functie van kwaliteit van de zorgverlening.
De politici waren niet meteen gewonnen voor dit voorstel. Elke Roex van Sp.a was eerst aan het woord. Ze gaf aan dat ze deels wel en deels niet akkoord gaat met de stelling. Groepspraktijken moeten inderdaad gestimuleerd en aangemoedigd worden, zeker in regio’s waar nu reeds te weinig huisartsen werken. Ze was echter niet overtuigd over het idee van de medische huizen, hoe moet immers bepaald worden wie wel en wie niet in een medisch huis mag werken, gezien het beroep arts een vrij beroep is. Het medisch huis zou die vrijheid niet onderschrijven. CD&V beaamt Sp.a hierin. De solistische praktijk is met uitsterven bedreigd. De idee van groepspraktijken en wijkgezondheidscentra kan dit opvangen. Volgens Open VLD kunnen goedkopere kredieten wel een oplossing zijn, maar gaat het ter beschikking stellen van panden te ver. Want als men dit voor huisartsen doet, moet men dit dan niet voor alle vrije beroepen doen? N-VA is wel akkoord dat de oplossing bottom-up moet groeien zoals we bij dit voorstel zien. Bovendien is dit een vergelijkbaar probleem als datgene dat we in Vlaanderen zien bij huisartsen. GROEN! Is wel gewonnen voor het idee van groepspraktijken en gerichte doorverwijzingen, maar is niet overtuigd van het idee voor Vlaamse zorghuizen. Er zullen volgens GROEN! Niet voldoende middelen zijn om voldoende van dergelijke huizen in Brussel te garanderen. LDD vergelijkt dit probleem een beetje met de oprichting van Centrum Rijke Klaren van een dertigtal jaren geleden. Hier werkte men 5 jaar men subsidies. Na deze opstart was het centrum klaar om zelfstandig te werken en heeft men de mensen de vrijheid gelaten om zelf alles verder te organiseren. Dus LDD is wel gewonnen voor het idee van startpremies. VB is akkoord dat het de taak van het beleid is om de Nederlandstalige gezondheidszorg in Brussel zichtbaar te maken en te garanderen. Daarom is VB wel gewonnen voor het idee van Vlaamse gezondheidshuizen. Het moet in ieder geval gaan om een project dat dicht bij de mensen staat. CD&V is wel akkoord dat men het Nederlandskundig aanbod in Brussel moet verzekeren, maar is niet overtuigd op Vlaamse gezondheidshuizen hiervoor de oplossing zijn.

Een aangepast gezinszorgpakket voor Brussel

Marleen Rombaut, raadgever bij Familiehulp, werpt een ander licht op deze eerste stelling, namelijk vanuit het standpunt van de zorgvrager. Door meer geïntegreerde en lokale verankering zou men antwoorden kunnen bieden op concrete zorgvragen. De profilering van een goed en kwalitatief hoogstaand Nederlandstalig geïntegreerd zorgaanbod, zou ook mogelijkheden moeten bieden om nog meer in te gaan op de zorgvraag van de Brusselaars. Het is mijn overtuiging dat dit het beste kan gerealiseerd worden vanuit sterke interdisciplinaire samenwerkingsverbanden die zich – zeker voor wat de eerstelijnszorg en –gezondheidszorg betreft –dicht bij de zorgvrager bevindt. Er worden een aantal knelpunten aangehaald zoals de andere demografische noden in Brussel dan in Vlaanderen, het vaste urencontingent van de diensten gezinszorg dat soms te ruim is voor de klein gehuisveste Brusselaars, het beperkte inkomen van heel wat Brusselaars die om die reden gezondheidszorgen uitstellen, de beperkte aanwezigheid in het straatbeeld van het Vlaams zorgaanbod in Brussel.
Een visie ontwikkelen op hoe het Vlaamse zorglandschap moet hertekend worden in Brussel is één zaak. Dat diezelfde Vlaamse eerstelijnsgezondheidszorg daarin ook sterk geruggensteund zal moeten worden door de Vlaamse overheid en vice versa is vanzelfsprekend.
GROEN! is akkoord dat ouderen – zeker naar de toekomst toe – moeten ondersteund worden om zo lang mogelijk zelfstandig thuis te blijven wonen. De vraag is dan hoe we dit meer op wijkniveau kunnen organiseren. De zorg moet in ieder geval bij de mensen thuis gebracht worden. VB is wel gewonnen voor het idee van de Vlaamse gezondheidshuizen en vindt dat de thuiszorg hier perfect zijn plaats in kan nemen. Dit zal ook zorgen voor een grotere zichtbaarheid naar de doelgroep. Het aanbod van Vlaamse thuiszorg is momenteel totaal ontoereikend in Brussel. VB is ook akkoord dat men de thuiszorg moet organiseren naargelang de noden van de zorgvrager en niet naargelang het aanbod van de zorgaanbieder. CD&V vindt dat men moet werken aan een betere integratie en is van mening dat de SEL’s hier een rol in kunnen spelen. Net om die reden heeft de Vlaamse overheid het budget van de SEL’s opgetrokken. SP.A zegt dat het Vlaamse aanbod van de thuiszorg en meer in het bijzonder de gezinszorg niet goed gekend is in Brussel. Bovendien moet men ondertussen ook het nijpende personeelstekort aanpakken door bijvoorbeeld beter samen te werken met de scholen. Men zit hier inderdaad in een stedelijke context, maar sommige aspecten zijn te vergelijken met andere steden in Vlaanderen zoals Antwerpen. N-VA is zich ervan bewust dat er meer herkenbaarheid moet zijn en dat men moet streven naar een ruime eerstelijnsgezondheidszorg. N-VA interpreteert dit alsof Brussel kijkt naar het Vlaamse model en dit zal dan inderdaad ook investeringen vragen. Open VLD vraagt zich af of we hier geen belangrijke bico-instelling over het hoofd zien die deze opdracht heeft, namelijk het OCMW. Zij hebben namelijk de opdracht voor meer bekendmaking, integratie en zij staan ook dicht bij de mensen. Helaas wordt er te weinig gebruik gemaakt van hun diensten. Er zijn al pogingen geweest om een overleg op te starten met alle zorgdiensten op gemeentelijk vlak. Er moet misschien nog wel meer inspanning geleverd worden om ook de mutualiteiten hierbij te betrekken. LDD is voor integratie, maar vindt dat dit niet moet gelijkgeschakeld worden met subsidiëring. De praktijk leert immers dat ook privé-initiatieven nog genomen worden als het immers een haalbare kaart is.

Dr. Milan Roex verduidelijkt na dit stukje de eerste stelling. Voor hem was de stelling te zien in het kader van een analyse die hij voor zichzelf had gemaakt. Huisartsen en in mindere mate specialisten in Brussel kunnen nooit zoveel verdienen als huisartsen in Vlaanderen. Om toch in Brussel te komen werken, in omstandigheden die vaak moeilijk zijn, is het nodig om artsen een duwtje in de rug te geven. Daarbij lijkt het idee van de medische huizen, waar artsen gewoon samen zitten, voor hem een mogelijke piste. Hij heeft het hier niet over groepspraktijken, het kunnen evengoed vijf soloartsen zijn die naast elkaar hun kabinet hebben.

Veel Franstalige artsen die een inspanning doen om Nederlands te praten worden niet bij het debat betrokken.
Een tweede punt dat deze heer aanhaalde dat hij uit het debat over de OCMW’s concludeerde dat er OCMW’s en CPAS’en zouden moeten zijn.
Luc D’hooghe heeft drie opmerkingen bij deze stelling. De bicosector voldoet niet aan hun opdracht namelijk tweetalige zorg garanderen. De OCMW’s, ziekenhuizen zijn vaak niet tweetalig en daar moeten men op aangesproken kunnen worden.
In een tweede opmerking vraagt Dr. D’hooghe zich af wat de GGC, de VGC en de COCOF doen voor de eerste lijn. Er gaat veel geld naar de ziekenhuizen, maar financiering van de eerste lijn ligt moeilijk.
In een laatste punt vindt hij het belangrijk dat de tweetalige zorg in het algemeen verhoogd wordt. Daarvoor moeten zowel Nederlandstaligen als Franstaligen aangesproken worden. Elke zorgverlener zou tweetalig moeten zijn in Brussel.

Rita Van Moorleghem is geen voorstander van de multidisciplinaire groepspraktijken, althans niet voor haar beroepsgroep, de kinesitherapeuten. Kinesisten hebben alle verschillende interessevelden, wat resulteert in verschillende mogelijke behandelingswijzen. Een patiënt uit een bepaalde groepspraktijk is niet altijd gebaat met de behandelingsmogelijkheden van een bepaalde kinesist. Ze pleit eerder voor grote praktijken met meerdere kinesisten van waaruit vanzelfsprekend ook kan samengewerkt worden met huisartsen en andere disciplines.

Hierop gaf Guy Tegenbos opnieuw het woord aan de panelleden.
Steven Vanackere beaamt Luc D’Hooghe dat de artsen Nederlandskundig moeten zijn of worden. Hij ziet hierin een belangrijke taak voor het onderwijs weggelegd. In Brussel wordt het Nederlands in de Franstalige scholen slechts voor 30% als tweede taal gekozen. Het Engels geldt in 67% van de gevallen als tweede taal. Om zorgverleners meer Nederlandstalig te maken moeten er niet enkel aan Vlaamse kant veel inspanningen komen, maar moet er eveneens een beweging komen waarbij aan Franstalige kant meer mensen Nederlands willen leren.
Jean-Luc Vanraes gaf nog een aantal cijfers mee met betrekking tot verpleegkundigen. Hij gaf aan dat tweetalige verpleegkundigen in Brussel met een taalpremie (doordat ze het selorexamen hebben afgelegd) minder verdienen dan eentalige verpleegkundigen in Vlaanderen of Wallonië. Om in Brussel te willen werken moet er iets tegenover staan. Dat is ook voor NV-A duidelijk. Louis Ide meent dat Brussel in zijn totaal aantrekkelijker moet worden. Op die manier kan je mensen naar Brussel trekken om er te wonen en te werken. Dit geldt voor vele beroepen zoals de artsen maar ook bijvoorbeeld politiediensten. Groen! waarschuwt hierbij wel voor een soort fatalisme. We kunnen er niet van uit gaan dat het nooit zal lukken met de Franstaligen en alles daarom zelf gaan. We moeten blijven proberen samen te werken in een structuur waar iedereen zijn verantwoordelijkheden opneemt.

Tekorten in de zorgsector worden opgevangen door de grote groep werklozen aan te spreken

In een tweede stelling leggen verpleegkundigen Naziha Dahmani en Khaira El Moatassim de link tussen het groot tekort aan zorgverleners en de grote werkloosheid in Brussel bij vooral allochtone jongeren. In Brussel is er net als in België een groot tekort aan zorg- en hulpverleners. Dit tekort zal in de toekomst alleen maar meer toenemen. Bovendien is er in Brussel zeker een tekort aan Nederlandskundige zorgverleners. Één van beide verpleegkundigen is ook intercultureel bemiddelaar en soms moet zij vertalen tussen een Nederlandstalige patiënt en een anderstalige arts.
Naast deze problematiek is er in Brussel ook een hoge werkloosheidsgraad.
Er is in Brussel dus enerzijds het probleem van een grote groep laaggeschoolde werklozen en anderzijds de toenemende nood aan minstens tweetalige zorgverleners in Brussel. Mits voldoende ondersteuning kunnen deze elementen op elkaar aangepast worden en door door deze potentiële bron aan werknemers aan te boren kan het tekort in de zorgsector opvangen worden en kan aan de Brusselse kinderen en jongeren een goed voorbeeld gesteld worden. Om dit te verwezenlijken zijn wel meer investeringen nodig in deze kansengroepen.
Beide verpleegkundigen sommen nog enkele oplossingen op voor dit probleem, bijvoorbeeld door de uitbouw van onderwijs en door de ondersteuning van netwerken.

Het onderwijs is de sleutel voor veel zaken zegt Piet Deslé van Lijst Dedecker. Daarbij is het zowel de verantwoordelijkheid van de Nederlandstalige gemeenschap als van de Franstalige gemeenschap om dat onderwijs op de noden af te stemmen. Aan de andere kant kan men ook creatief zijn met de tweetaligheid, de taalpremies en taalwetten zijn daar een voorbeeld van. Men moet ze dan wel toepassen. Aan de andere kant zou men kunnen denken aan aparte taalpremies voor instellingen, groepen bedrijven. Men zou fiscale voordelen kunnen geven aan diensten die tweetalig zijn en op die manier een cultuur creëren waar tweetaligheid wel belangrijk zijn. Het zou een krachtig signaal zijn naar de Franstalige gemeenschap, die dan misschien wel oren zouden hebben naar tweetaligheid. Greet Vanlinter vindt dat het verpleegkundigenberoep ondergewaardeerd is. Terwijl het zowel psychisch als fysisch een heel zwaar beroep is. Een Brusselpremie zou een mogelijkheid zijn om meer verpleegkundigen naar Brussel te lokken. Daarnaast geeft ze aan dat er reeds in de beroepsopleiding meer aandacht moet zijn voor het taalaspect. Daarnaast kan ze zich zeker vinden in het aanboren van het potentieel van de allochtone gemeenschap op voorwaarde dat ze naast dezelfde rechten ook dezelfde plichten hebben. Open VLD merkt op dat gelijke kansen in het onderwijs nog niet echt bestaan. Er is nog steeds een kloof tussen arm en rijk, die gepaard gaat met minder of meer kansen. Iedereen moet dezelfde kansen kunnen krijgen, daarom ijvert men bij Open VLD nog steeds voor de anonieme sollicitatie. Er staan een aantal grote projecten op stapel zegt Elke Roex. Er moet echter nu samengewerkt en nagedacht worden over manier waarop die projecten bemand zullen worden. De zorgverleners die voor die projecten nodig zullen zijn, zitten nu nog op de schoolbanken, maar om deze jongeren toe te leiden moet men nu met de scholen samen zitten. NV-A geeft hierbij aan dat deze doelgroep een opdracht heeft als rolmodel. Het is belangrijk dat deze twee vrouwen tonen hoe het anders kan, dat een job hebben mogelijk is. Hij geeft hierbij echter ook een kritische noot, namelijk dat het voor hen ook belangrijk is aan de slag te blijven zelfs als ze een gezin hebben.
Waar Open VLD vindt dat het Vlaamse onderwijs goed georganiseerd is stelt Bruno Delille van Groen! dat het niet helemaal rooskleurig is. Ondanks vele pogingen om toe te leiden naar het onderwijs blijven er jongeren uit de boot vallen en ook de toeleiding naar de arbeidsmarkt is geen garantie. Het onderwijs zou op een ‘Brusselse’ manier moeten aangepakt worden, waarbij de nadruk gelegd wordt op de natuurlijke aanleg van bepaalde groepen. Bijvoorbeeld het respect voor ouderen bij personen uit Centraal-Afrika.

Tweetalige instrumenten zijn nodig om het gebruik ervan werkbaar te maken

De derde stelling behandelde de tweetaligheid van gebruiksinstrumenten in Brussel en wordt gebracht door Ann Claeys, coördinator van SIT/GDT Brussels Overleg Thuiszorg. Er worden enkele voorbeelden aangehaald zoals het zorgplan of de folders in de wachtzaal van de Brusselse huisartsen. Wegens bepaalde regelgeving kunnen deze werkinstrumenten enkel in het Nederlands voorzien worden. Dit maakt het voor de Nederlandskundige zorgverlener moeilijk werkbaar in de praktijk, waar hij ook in contact komt met anderstalige patiënten of met anderstalige zorgverleners.
Het aanbieden van twee- of meertalige instrumenten creëert een openheid naar andere zorgverleners en naar de patiënten zelf, zonder daarbij als zorgverlener van het Nederlands af te stappen.

Het standpunt van de patiënt en de taal van de patiënt blijft heel belangrijk zegt Steven Vanackere. Aan de andere kant moet wat van de Vlaamse gemeenschap komt in het Nederlands blijven. Bovendien geeft hij aan wordt reeds veel ‘geknutseld’ door de pragmatische mensen op het terrein. Ook NV-A vindt dat het dossier van de patiënt in de taal van de patiënt moet opgemaakt worden. Wat in de private sfeer gebeurt tussen de patiënt en de arts is flexibel. Lijst Dedecker gooit het over een andere boeg en antwoordt op de stelling dat de zorgverstrekker tweetalig moet zijn. Dat is de basis voor de gezondheidszorg in Brussel. Na deze antwoorden verduidelijkt Milan Roex dat het niet gaat om het dossier dan wel om de praktische haalbaarheid van het gebruik van bepaalde documenten. De bereidheid om de zaken in het Nederlands in te vullen is er veelal wel, maar soms kan een geheugensteuntje of een vertaald woord het invulproces vergemakkelijken. Daarbij komt nog dat Brussel veel taalgemengde gezinnen kent, waar de partner de documenten in het Nederlands niet altijd kan verstaan.

Maak van Brussel een belangrijke ontmoetingsplaats in de medische onderzoekswereld


De laatste stelling werd voorgesteld door Professor Dokter Jan Peers. Hij bracht de nood aan netwerking naar voor en benadrukte dat Brussel moest uitgebouwd worden tot een belangrijke plaats in de medische onderzoekswereld.
Keuzes van zorgverleners worden namelijk ook bepaald door immateriële voorwaarden. Vooral op het vlak van beroepsvoldoening kan in het Brusselse op korte termijn actie ondernemen worden. Om de isolatie van Nederlandstalige eerstelijnszorgverleners in een grootstad als Brussel te doorbreken kan netwerking tussen zorgverleners gestimuleerd worden via bijscholingen, seminaries, vergaderingen, … .

Elke Roex geeft aan dat de samenwerking tussen zorgverleners inderdaad zo dicht mogelijk moet verlopen. Daarbij behoedt ze wel voor een teveel aan overleg en wil de overlegorganen eerder afbouwen zonder dat de samenwerking daarbij verloren gaat. Open VLD merkt op dat Brussel als grootste studenten stad een opdracht heeft en dan vooral de hogescholen en universiteiten om het onderzoekcentrum mee gestalte te geven. Groen! kan zich zeker vinden in de stelling maar geeft aan dat ook de netwerking met de Franstalige gemeenschap belangrijk is. NV-A voegt hier nog aan toe dat netwerken veel ruimer gaat dan enkel de professionele netwerken. Zeker voor artsen die in een bepaalde gemeenschap moeten ingebed zijn. Greet Van Linter geeft aan dat het beleid een grote verantwoordelijkheid heeft en moet bijvoorbeeld de taalwetten afdwingen. Piet Deslé geeft een nuance aan deze discussie. Aan de ene kant vindt hij dat er een hoogtechnologische geneeskunde moet zijn in Brussel aan de andere kant is het nog steeds nodig om artsen te vinden om het basiswerk te doen. Steven Vanackere besluit dat netwerking nuttig is als er iets uitkomt. Daarnaast pleit hij ervoor om de muur tussen welzijn en gezondheid naar omlaag te trekken. Enkel op die manier kan een service voor iedereen gegarandeerd worden.

Na deze korte antwoorden op de laatste stelling sluit Guy Tegenbos het debat af en laat Dr. Caroline Verlinde een laatste conclusie formuleren als antwoord op de vraag van Steven Vanackere om welzijn en gezondheid beter te laten samenwerken.

De laatste drie jaar is in Brussel enorm gewerkt aan het elkaar leren kennen binnen de gezondheidswereld. Het uiteindelijke doel is om welzijn en gezondheid beter met elkaar te laten samenwerken, maar het probleem was dat gezondheid elkaar onderling nog niet kende. Allerlei gezondheidsorganisaties zoals het Brussels Overleg Thuiszorg waren niet gekend bij de huisartsen. Net als Pro Medicis Brussel, Zorgnet, … Er waren een groot aantal gezondheidszorgorganisaties in Brussel actief maar ze kenden het bestaan van elkaar niet, de zorgverleners kenden het bestaan van de organisaties niet of maar half. Dus de laatste paar jaar is vooral op de eigen netwerking ingezet. De voorwaarde om gezondheid en welzijn te laten samenwerken is immers dat gezondheid haar eigen rangen eerst kent. Die stappen worden op dit moment genomen. Deze evenementen, het debat, de meetings zijn onder andere initiatieven die de netwerking tussen gezondheid onderling en tussen welzijn en gezondheid kunnen verstevigen.

Lees ook het artikel over het Gezondheidsdebat in Brussel Deze Week
Meer informatie over het gezondheidsdebat kan u lezen op www.gezondheidsdebat.be

zorgzoeker © 2011 | Privacy disclaimer | Created by D|M&S | Sitemap